't Corpus van de schilderkunst
Een unieke combinatie van
haremvrouwen en stoffen uit de hedendaagse
kunst
en
vrouwen en stoffen uit een antropologische
collectie
17 mei tot en met 9 augustus 2002
Tijdens een
bezoek van de Franse kunstenaar Jean Le Gac in de depots van het Nijmeegs
Volkenkundig Museum, raakte hij gefascineerd door de daar aanwezige stoffen.
Hoewel hij inspiratie zocht voor een andere opdracht (het maken van een
kunstwerk in de Aula Maior van de Katholieke Universiteit Nijmegen) maakten de
stoffen een zo'n grote indruk op hem dat besloten werd ook hier iets mee te
doen. In de tentoonstelling Het Corpus van de schilderkunst. Een unieke
combinatie tussen harem-vrouwen en stoffen in de hedendaagse kunst en vrouwen
en stoffen uit een antropologische collectie toont Le Gac zijn Odalisken,
schilderijen van haremvrouwen. Deze schilderijen, die het klassieke
schilderkunstige thema van odalisken laten zien, plaatst hij in een context van
stoffen en kledingstukken. Ze worden hier geëxposeerd in combinatie met de
stoffen die de kunstenaar in het depot tegenkwam, en allerlei vrouwenbeelden
uit de historische collectie van het museum.
Tegelijkertijd
met de onthulling van Groepsportret, het kunstwerk in de Aula Maior, op
16 mei is de tentoonstelling in het museum van start gegaan. Hier zijn ook de
voorwerpen uit het depot te zien zijn die Le Gac als inspiratiebron gebruikte
voor het kunstwerk in de Aula.
Jean Le Gac is
geboren op 6 mei 1936 in Tamaris, bij Alès (Frankrijk). Als kind van een
alleenstaande moeder draagt hij aanvankelijk de naam van zijn grootvader
Constantin Stavros Kyriakos. Wanneer hij zeven jaar is huwt zijn moeder de
mijnwerker Georges Le Gac die zijn naam aan Jean geeft. Deze dubbelzinnige
situatie waarbij hij van naam verandert maar tenslotte de naam van zijn echte
vader niet draagt, heeft een grote indruk nagelaten op Jean Le Gac. Het feit
dat hij bovendien opgegroeid is in een mijnwerkersstadje (een landschap dat
enkel de sporen nalaat van ondergrondse activiteiten) lag aan de basis van zijn
interesse voor het raadselachtige. Hij leeft er verstoken van kunst en musea, maar
op school blijkt al vlug dat hij over talent beschikt.
Als kunstenaar
stelt Jean Le Gac zich voortdurend vragen rond het kunstenaarschap en doet dit
door zich in de rol van verslaggever van de schilder te plaatsen. Met
fototoestel en schrijfmachine volgt hij schilders en maakt reportages. Hij
richt zich niet tot een bepaald schilder maar tot het begrip
"schilder" in de artistieke situatie waarin de kunstenaar zich
bevindt. Soms krijgen ze een naam zoals Florent Max, Ramon Nozaro, Jack Beauregard,
Asfalto Chaves en Ange Glacé (anagram van Jean Le Gac) en soms is er ook een
biografie. Meestal is er echter alleen sprake van "de schilder" of
van "hij" of zelfs "ik". Wanneer hij de schilder voorstelt
door middel van fotoreeksen dan is het Le Gac zelf die model staat voor de
schilder die hij zelf omschrijft als "un artiste dans mon genre".
Vanaf 1971 is
er een constante betrokkenheid met "de schilder" in het werk van Jean
Le Gac. Aanvankelijk drukt hij zich voornamelijk uit met foto's. Er is meer
sprake over het personage van de schilder dan eigenlijk van zijn werk. Op de
foto's zijn er slechts onbeschilderde of nauwelijks beschilderde doeken te zien
en dikwijls wordt de toeschouwer op een verkeerd spoor gezet.
Er is een
belangrijke wijziging in het begin van de tachtiger jaren wanneer Le Gac zich
aan het tekenen zet. Het zijn meestal grote tekeningen die een droomachtige
indruk nalaten omdat zij onder meer gemaakt zijn naar illustraties uit
jeugdboeken. Hiermee stelt hij dan de verhouding tussen copie en origineel aan
de orde. De pasteltekeningen worden in combinatie met foto's gepresenteerd.
In de tweede
helft van de tachtiger jaren is de schilder (zonder schilderij) weer terug te
vinden in werken met gemengde technieken op doek en objecten (filmprojector,
schrijfmachine, radio). De schilder komt voor in allerlei situaties maar Le Gac
laat niet zien wat hij schildert of doet. Hierdoor ontstaat een ambivalentie
over wat de schilder nog te bieden heeft. In de tweede helft van de tachtiger
jaren is er een toenemende diversiteit in zijn werk zoals een groot
gevelschilderij ergens in Parijs, een monumentaal glasraam voor het station van
Colmar, boodschappen aan vrienden geschreven op het etiket van wijnflessen, ...
De teksten die hij in zijn werk aanbrengt spelen meer en meer een eigen rol.
Jean Le Gac, die in 1968 besloot geen schilder te zijn, werkt consequent door
en maakt een soort kunst waarin hij een loopje neemt met dé Kunst. Hij heeft
een indrukwekkend aantal individuele tentoonstellingen gemaakt in zeer
uiteenlopende plaatsen en op diverse niveaus. Hij was ook vertegenwoordigd op
verschillende Biennales van Venetië, Documenta's in Kassel,
"Westkunst" in Keulen en vele andere belangrijke tentoonstellingen.
Vorige pagina
Laatste update: 20 juni 2002